1. Samenvatting
Passende puzzelstukjes voor 483 puzzelende gemeenten
Over standaardisatie binnen de gemeentelijke digitale dienstverlening

I.  Vernieuwingsimpulsen binnen gemeenten
Vrijwel alle Nederlandse gemeenten zijn doende een vernieuwingsslag te maken met als doel hun inwoners en klanten beter van dienst te kunnen zijn met de toepassing van webtechnologie. Daartoe aangespoord door het ministerie van Binnenlandse Zaken beschikken alle gemeenten inmiddels over een website en een productencatalogus. Daarmee kunnen de burgers informatie opvragen over het gemeentelijke dienstverleningsaanbod en beleid.

Maar informatieverstrekking alleen is niet voldoende. Burgers ontdekken het gemak van het elektronisch zakendoen met bedrijven en verwachten ook van de overheid dat zij een digitaal loket openen naast de bestaande loketten. Om dit te kunnen realiseren is meer nodig dan alleen het aanbieden van een digitaal formulier. Burgers willen zich oriënteren en te weten komen hoe de regels in elkaar steken, hoe de procedure verloopt en of zij wel of niet in aanmerking komen voor het door hen gewenste product. En wanneer zij het formulier invullen verwachten zij dat de gemeente niet naar de bekende weg vraagt en in de administraties al aanwezige gegevens dus ophaalt in het formulier. En ook willen zij via het web kunnen betalen. Helemaal mooi zou het zijn indien zij de voortgang kunnen volgen en uiteindelijk ook het product via het web geleverd krijgen. Om aan dit verlangen tegemoet te kunnen komen moet de gemeente heel veel intern organiseren. Met alleen hun traditionele processystemen kunnen gemeenten deze ambitie immers niet waarmaken. Digitale dienstverlening vraagt ook om een totaal andere kijk op bedrijfsvoering, de werkprocessen zullen veranderen. Maar hoe organiseer je dat nu, hoe pak je het aan? Daarover gaat deze website.
De ICTU (ICT Uitvoeringsorganisatie, een initiatief van BZK) en in het bijzonder haar programma Egem wil gemeenten ondersteunen bij het realiseren van digitale dienstverlening. Zij doet dat o.a. met het inrichten van een etalage waarin best practises van gemeenten zijn uitgestald en met het vervullen van een intermediaire rol richting leveranciers. Een ander ICTU-programma,  Architectuur Elektronische Overheid, richt zich o.a. op het ondersteunen van gemeenten bij het ontwerpen van architecturen en infrastructuren voor o.a. digitale dienstverlening.
Op 1 januari 2004 heeft het programma Architectuur Elektronische Overheid de gemeente Den Haag gevraagd een project te starten met het doel te onderzoeken of gemeenten bij het opzetten van een eigen architectuur en infrastructuur kunnen profiteren van elders (i.c in Den Haag) opgedane ervaringen. Daarbij gaat het er vooral om vast te stellen of de in Den Haags toegepaste componenten voor digitale dienstverlening in elke andere gemeentelijke organisatie kunnen worden ingepast ongeacht de eigen gekozen architectuur en infrastructuur. Bij een positief antwoord zou dit betekenen dat gemeenten zich met een korte doorlooptijd kunnen omvormen tot een moderne, digitaal georganiseerde organisatie. Het convenant verwacht de volgende uitkomst: “Het onderzoek moet uitmonden in voorstellen voor hier en nu te zetten implementatiestappen op een beperkt aantal gebieden in een drietal gemeenten. De leerervaringen die daarbij worden opgedaan worden geboekstaafd, opdat andere daar vervolgens hun voordeel mee kunnen doen.”.
In dit project is nagegaan of de ervaringen bij de gemeente Den Haag bruikbaar zijn voor toepassing in een drietal middelgrote gemeenten: Delft, Ede en Emmen. Het kort lopende project is op 1 mei 2004 afgesloten.
  • Brede toepasbaarheid

De gemeente Den Haag heeft zes jaar uitgetrokken om de omslag naar digitale dienstverlening te maken. Zij is daarmee in het jaar 2000 begonnen. Het is een lange weg van pionieren en vallen en opstaan. Maar de contouren staan er nu. Andere gemeenten kunnen profiteren van de Haagse ervaringen, omdat haar aanpak sterk gestandaardiseerd is in 4 fasen en de in Den Haag ontwikkelde (75) generieke bouwstenen in elke architectuur kunnen worden ingezet. Met dit project is uitgeprobeerd hoe dit in de praktijk uitwerkt.
Belangrijke succesvoorwaarden voor de Haagse aanpak zijn:
  • een breed draagvlak voor de aanpak binnen de organisatie, zowel bij het bestuur als bij ambtelijk management en de medewerkers;
  • bereidheid van de betrokkenen tot samenwerking en de ongedeelde gemeente als uitgangspunt te nemen;
  • bereidheid om de bestaande binnengemeentelijke processen aan een kritische beschouwing te onderwerpen;
  • een lange adem (kan nu voor andere gemeenten minder, gezien het in Den Haag ontwikkelde materiaal;
  • behoorlijke financiële spankracht.

III.Het implementatietraject digitale dienstverlening in het kort
Het project, en dus de Haagse aanpak, is gestoeld op de opvatting dat voor het verwerkelijken van digitale dienstverlening de gemeente antwoord moet geven op 25 specifieke vragen en daartoe (maximaal) 75 bouwstenen moet inbedden in haar bedrijfsvoering. Deze vragen en bouwstenen komen stapsgewijs aan de orde en wel in 4 volgtijdelijke fasen van het invoeringstraject.
  • De visieontwikkelingsfase. Als eerste moet de gemeente voor zichzelf vaststellen wat haar koers is. Wat zijn haar ambities? Zijn de vragen van de burger richtinggevend voor het invullen van het dienstverleningsaanbod? Hoe wordt ICT daarbij ingezet? Een tiental vragen helpt de gemeente om haar visie hierop helder te krijgen.
  • In de strategiefase wordt de weg uitgestippeld om de visie te realiseren. Er kunnen hierbij een drietal belangrijke actoren worden onderkend: burger, bestuur en bureaucratie (ambtelijk apparaat). Het gaat er in deze fase om te onderkennen dat de burger in verschillende rollen in contact treedt met de gemeente en dat bestuur en bureaucratie hier een passend dienstverleningsantwoord op moeten geven. Er is daarbij sprake van een logische vraag- en aanbodketen:
     Vraag: Bezoeker Beïnvloeder   Betaler         Bewaker       Browser
      Aanbod:     Balie-info Beleids-info   Bedrijfs-info  Bestands-info     Beheers-info  .
  Voortdurend moet getoetst worden of vraag en aanbod (nog) met elkaar in evenwicht zijn en daarom zijn hieraan normen (indicatoren) gekoppeld.    
   Om de gemeente te helpen bij het onderkennen en invullen van deze opdrachtgevers- en opdrachtnemersrollen zijn 15 vragen geformuleerd.
  • In de architectuurfase worden visie en strategie vertaald in concrete maatregelen. Wat heb je allemaal nodig aan procedures, applicaties en gegevens om de informatievragen van de burger te kunnen bevredigen en hoe orden je die allemaal? Hiertoe wordt een informatiearchitectuur gebouwd. Daarbij wordt helder dat de wijze waarop de gemeente vorm geeft aan haar architectuur wordt bepaald door haar geformuleerde opvattingen over visie en implementatie. Er is dus geen sprake van één gemeentelijke architectuur. Wel komen in elke architectuur telkens dezelfde bouwstenen voor. Het zijn er maximaal 60 en deze worden beschreven en ingezet.
  • De infrastructuurfase tenslotte vertaalt de architectuurcomponenten in een technische ICT-omgeving. Ook hier komen de eerder onderkende burgerrollen weer terug en wel met het oog op aspecten als beheer en beveiliging. Er zijn 15 bouwstenen nodig om een goede infrastructuur te realiseren.

In de volgende hoofdstukken worden deze fasen nader beschouwd en uitgewerkt.
 
IV.    Visie
Het startpunt van het implementatietraject vormt het helder krijgen van de gemeentelijke ambities: de koers die de gemeente wil volgen. Hierover moeten zowel op bestuurlijk als ambtelijk niveau heldere, ondubbelzinnige uitspraken worden gedaan. De kernvragen zijn:

1.   Wat is uw missie waarbij ICT ingezet wordt?
2.   Waarom wilt u ICT inzetten?
3.   Wat zijn uw belangrijkste beweegredenen?

Bij deze vragen gaat het er om vast te stellen wat de toegevoegde waarde van de inzet van informatietechnologie moet zijn. De inzet van ICT kan gericht zijn op de organisatie: een beter presterende organisatie dankzij een gerichte, strategische inzet van ICT. Maar een minstens even belangrijke doelstelling kan zijn om met gebruikmaking van ICT de relatie tussen burger, bestuur en ambtelijke organisatie te verbeteren. Het is ondoenlijk geworden om alle mensen waarmee de gemeente contact heeft te kennen en hen op maat te bedienen. Informatietechnologie kan bijdragen aan de individualisering van het contact tussen burger en gemeente.
Een andere drijfveer kan zijn om de burgers een betere dienstverlening te bieden, een grotere klantgerichtheid misschien zelfs. ICT kan een extra dienstverleningsloket (website) bieden dat 24 uur per dag, 7 dagen in de week en 365 dagen van het jaar open is.
Nog een overweging kan zijn de burgers meer te betrekking bij de kwaliteit van de gemeentelijke informatievoorziening. Als de burgers hun eigen in de gemeentelijke administraties aanwezige gegevens kunnen raadplegen, kunnen zij deze tegelijkertijd controleren op juistheid. De burger regisseert als het ware zijn eigen gegevens.
Het is dus belangrijk dat de gemeente haar klanten kent om haar aanbod daarop goed te kunnen afstemmen en daarover gaat de volgende vraag:
     4.  Wie is vrager? 
De vrager is niet alleen degene die op een bepaald moment een kapvergunning aanvraagt. Dat is te simpel gesteld en bereidt degene die het antwoord gaat geven onvoldoende voor. De aanvrager is behalve kennelijke tuinbezitter ook vader van schoolgaande kinderen, hij is betrokken bij de politiek, is eigenaar van een huis en betaalt belasting. De burger verwacht dat wanneer hij zich aan een loket vervoegt de gemeente een helder beeld heeft van wat deze burger van de gemeente verlangt, én omgekeerd: wat de gemeente van deze burger verlangt. Er moet dus samenhang in de dienstverlening zijn. Een dergelijke opvatting over klantbenadering staat echter haaks op een verkokerd georganiseerde gemeente. Voor een integrale klantbenadering is het dus noodzakelijk te weten te komen wie de vrager is. We proberen in zijn huid te kruipen en ons af te vragen: hoe wil deze ons benaderen, wat verwacht hij van ons, wil hij dat we met hem meedenken, pro actief zijn, hem inzage geven in achterliggende systemen, enz. Elke burger zal een ander profiel hebben.
Kennis van de burger is dus belangrijk voor het gemeentelijke aanbod dat daarop moet zijn afgestemd. Het is niet gemakkelijk het aanbod af te stemmen op de individuele vraag. Om daarvoor een goede voedingsbodem te vormen moet interne verkokering worden doorbroken en dat grijpt diep in in de organisatie. Een uitspraak over het evenwicht brengen tussen vraag en aanbod moet dan ook komen van het politieke bestuur. Hoe ver wil het bestuur daarin gaan?
Gingen de  voorgaande vragen over de gemeentelijke koers, de volgende 5 vragen inventariseren de huidige informatiehuishouding. Deze vormt immers vertrekpunt voor de vernieuwingsslag, want geen enkele gemeente staat op nul.
  • Hebt u de samenhang in uw informatiehuishouding expliciet gemaakt?


Voordat een nieuwe infrastructuur ontworpen kan worden moet helder zijn wat er allemaal toe behoort. Misschien is het nu al mogelijk de beoogde dwarsverbanden aan te brengen, omdat de ICT niet verkokerd is georganiseerd (één gemeentelijke balie, procesoverstijgend gegevensbeheer, centraal beheerde infrastructuur, enz.)?
  • Welke ordeningsmethodiek hanteert u daarbij?


De ordening kan gebaseerd zijn op de portefeuilles van de wethouders, de economische categorieën in de begroting of op staf, versus diensten. Mogelijk hanteert de gemeente de ordeningsprincipes van het INK- model. Hiermee wordt beschreven hoe de organisatie is ingericht en wordt informatie aangereikt over in welke richting de organisatie zich zou kunnen verbeteren.
De ordeningsmethodiek is zeer belangrijk, omdat deze het maatwerk-aanbod naar de burger moet ondersteunen. Daarom moet de volgende vraag beantwoord worden:
     7.  Kunt u de ordeningsmethodiek vertalen naar de relatie die deze heeft met de vrager?
In hoofdstuk V. Strategie gaan we dieper in op de burgerrollen met de daaruit voortkomende vragen en de wijze waarop de gemeente zich daarop met haar ordeningsmethodiek kan voorbereiden.
Nu moet zij eerst nog een aantal vragen beantwoorden over de wijze waarop de automatiseringsmiddelen worden ingezet.
     8.  Welke infrastructuur is er nu?
Met deze vraag moet helder worden of de ordeningsprincipes (architectuur) en infrastructuur tezamen al voldoende basis bieden voor vraaggestuurde dienstverlening of dat fundamentele veranderingen nodig zijn.
     9.  Hoe sluit deze aan op de keten?
We hebben vastgesteld dat er logische ketens in de interactie tussen gemeente en burger bestaan. De keten brengt samenhang aan in de onderscheidene onderdelen van het dienstverleningsaanbod. Voor het bereiken van die samenhang is standaardisatie een belangrijk uitgangspunt.
     10.     Hoe laat de burger de browser voor zich werken?
De browser is het instrument waarmee de burger toegang kan krijgen tot de onderdelen van de in de vorige vraag beschreven keten. De browser verbeeldt dus de mate van transparantie van de organisatie.
V.Strategie
In dit hoofdstuk wordt het fundament van de aanpak – het evenwicht tussen vraag en aanbod – nader uitgewerkt. We gaan dieper in op de burgerrollen (profielen) en de relaties die daarin ontstaan met politiek en ambtelijk apparaat (de bureaucratie).

De burger heeft met de gemeente te maken in 5 verschillende vraagrollen. Hij is:
  • bezoeker van de balie en website
  • beïnvloeder van beleid als kiezer en inspreker en raadpleger van de beleidsproducten (regelgeving)
  • besteller van gemeentelijke diensten en producten
  • bewaker van zijn gegevens door deze te controleren
  • browser en altijd via het net in staat met de gemeente te communiceren.


De gemeente moet voor zichzelf vaststellen of zij deze rollen herkent en wil ondersteunen en daar hebben de volgende 5 vragen betrekking op:
     Hoe eenduidig is de vraag naar ICT ondersteuning van de burgerrol
  • bezoeker
  • beïnvloeder
  • besteller
  • bewaker
  • browser

Wil de gemeente (bestuur, management en bureaucratie) evenwicht brengen in deze vraagrollen dan moet zij op al die rollen een passend informatie-aanbod formuleren:
  • balieinformatie over het producten- en dienstenaanbod
  • beleidsinformatie over inspraakprocessen en wet- en regelgeving
  • bedrijfsvoeringsinformatie over wijze waarop het dienstverleningsproces verloopt

           -    bestandsinformatie over de gemeentelijke gegevens voor burger en klant en de regie daarover
            -    beheers- en beveiligingsinformatie over een veilig digitaal contact met de gemeente.

            Ook over dit informatieaanbod moet de gemeente een uitspraak doen en de vragen luiden dan ook:
                       Onderkent u in uw informatiehuishouding een gemeenschappelijke laag (door alle organisatieeenheden heen) naar
  • balieinformatie
  • beleidsinformatie
  • bedrijfsvoeringsinformatie
  • bestandsinformatie
  • beheer- en beveiligingsinformatie?

Welke gemeenschappelijke lagen zijn dat?
Vraag- en aanbod zijn geen statische begrippen en kunnen in de loop der tijd een andere inhoud krijgen of zijn niet voor elke situatie valide. De gemeente moet dus voor elk onderdeel (rol, informatieaanbod) normen stellen waarmee het evenwicht bewaakt, gemonitord kan worden:
  • toegankelijkheid van de gemeente over openstellingstijden en toegang tot gegevens
  • doeltreffendheid van de (gemeentelijke) regelgeving
  • betrouwbaarheid van het gemeentelijke transactieproces
  • controleerbaarheid van de eigen burgergegevens
  • doelmatigheid van de wijze waarop het digitale contact tussen burger en gemeente plaatsvindt.


De gemeente zal zich een beeld moeten vormen over deze normen en hun betekenis voor de organisatie. Want in wezen wordt het succes van de dienstverlening hieraan afgemeten. De vragen:
     Kunt u een strategie weergeven voor de
  • toegankelijkheid
  • doeltreffendheid
  • betrouwbaarheid
  • controleerbaarheid
  • doelmatigheid?

Heeft deze invloed op de architectuur?
            
            De invoeringsstrategie is dus gebaseerd op bovenstaande driedeling: vraag – normering - aanbod. Nu we daarover aan de hand van de 25 vragen heldere antwoorden hebben geformuleerd kunnen we daadwerkelijk aan de slag gaan. We ontwerpen een architectuur die nauw aansluit bij de eigen politiek-bestuurlijke doelen, lokale cultuur, gemeentelijk besturingsmodel, ambtelijke werkwijzen en al in gebruik zijnde middelen.
  • Architectuur

Als we spreken over een informatie-architectuur bedoelen we daarmee een samenhangende visie van een organisatie op haar bestaande en gewenste informatievoorziening. Deze visie wordt beïnvloed door de bedrijfsvoering, informatie en infrastructuur. Het gaat er dus om samenhang te brengen in het door ons gedefinieerde informatieaanbod in antwoord op de vraagpatronen van de burger: balie-, beleids-, bedrijfsvoerings- , bestands- en beheersinformatie. Daarbij houden we uiteraard rekening met de bedrijfsvoeringsaspecten en de infrastructuur. Aldus ontstaan de door ons gewenste dienstverleningsketens.
Maar waaruit bestaat zo’n keten? Het Haagse traject heeft geleerd dat er, verdeeld over de respectieve informatiesoorten, ongeveer 60 bouwstenen nodig zijn om een architectuur als hier bedoeld te bouwen. Door een groot aantal dienstverleningsprocessen te analyseren zijn de vraagpatronen bepaald, de noodzakelijke functionaliteiten vastgesteld om deze processen digitaal te kunnen uitvoeren en zijn de normen (prestatie- indicatoren) bepaald. Vervolgens zijn deze geordend op basis van de 5 eerder genoemde informatiesoorten. Dit analyse-proces had de volgende uitkomst:

De 15 schakels die betrekking hebben op de infrastructuur komen later aan de orde.
Met deze bouwstenen kunnen dus in principe alle transactieprocessen worden gerealiseerd. Je kunt dit ook visualiseren in een matrix, zoals onderstaand is afgebeeld. De vraag is hierbij vertaald naar dienstverlingsprenoducten en het aanbod naar de 60 schakels. Voor de leesbaarheid zijn niet alle schakels hierin opgenomen.
Aanverwante documenten